Kopiëren is niet mogelijk.
logo

Tunnelvisie

Geld voor musea: de kunstensector heeft niets te klagen

(tekst van een bij NRC ingezonden, maar niet geplaatste reactie, 9 februari 2019)

Melle Daamen pleit voor een groter aandeel van het Rijk in de financiering van het Stedelijk Museum in de hoofdstad (NRC, Opinie en Debat, 2&3 februari). Wie pleit voor méér geld voor cultuur verdient wat mij betreft bijval, Nederland loopt daarin immers bepaald niet voorop. Het beeld echter dat de oprichtingsdirecteur van het Mondriaanfonds hier schetst van een onrechtvaardige verdeling van rijksmiddelen over de verschillende museale sectoren is scheef en getuigt van eenzijdig Randstedelijk denken en verdraaiing van de werkelijkheid.

Toen in de jaren ’80 en ’90 het Rijk zijn verantwoordelijkheid voor het museumbeleid voor een groot deel doorschoof naar provincies en gemeenten, was het museumveld eindelijk verlost van het gedrocht dat ‘koppelsubsidie’ heet. Slechts de nationaal belangrijkste collecties werden voortaan door het Ministerie onderhouden. Kunstcollecties maken daarvan inderdaad slechts een beperkt deel uit, het cultureel erfgoed (o.a. archeologie, wetenschap, etnografie, transport en techniek) is in de museumsector groter. Collega’s met uitsluitend oog voor moderne kunst kunnen zich maar moeilijk bij die realiteit neerleggen.

Onderdeel van genoemde decentralisatie van museumbeleid was de oprichting van het Mondriaanfonds, dat – in tegenstelling tot wat de destijds onjuist gekozen naam van dat fonds suggereert – bedoeld was voor alle musea, niet alleen voor de kunst. Daamen vermeldt niet, dat zijn kunstensector erin is geslaagd vrijwel het hele budget van dat fonds naar zich toe te trekken. Tegelijkertijd maakten ook veel provincies en gemeenten in veel gevallen van hun nieuwe positie gebruik door in hun museumbeleid de prioriteit te geven aan moderne kunst, ten koste van andere museale sectoren. Erfgoed, regionale geschiedenis en natuurlijke historie, minder hip dan kunst, werden bijna overal afgeknepen of zelfs opgedoekt, zoals bijvoorbeeld in Groningen, Enschede, Maastricht, Nijmegen en Eindhoven. Kortom: de kunstmusea hebben hun lobby steeds goed voor elkaar gehad, op alle drie de bestuurlijke niveaus. Petje af.

Dat de ambities van bijvoorbeeld Rotterdam en Amsterdam vooral gericht waren op de moderne kunst is hun eigen keuze. De cultuursubsidies in Nederland gaan door al deze ontwikkelingen voor een steeds groter percentage naar de sub-sector contemporaine kunsten. Het is een gotspe, dat Daamen nu begint te klagen, dat het Rijk daar niet genoeg aan meebetaalt. Een oncollegiale misser is het, dat hij daarbij bovendien musea als het Afrikamuseum en Rijksmuseum Twente marginaliseert. Cultuur- en museumbeleid gaan over meer dan alleen moderne kunst en moet gericht zijn op het hele land, niet alleen op Amsterdam. Mijn in een sociaal medium geuite hartenkreet, dat Melle Daamen hier blijk geeft van een Randstedelijke en monomane (kunst)blik op musea, wilde ik hier – mede op zijn uitnodiging – onderbouwen en houd ik overeind.

Frans Ellenbroek, Tilburg
beeldend kunstenaar, bioloog, museaal adviseur en voormalig directeur van Natuurmuseum Brabant

2019