Frans Ellenbroek

beeldend kunstenaar

Ode aan de Eenzaat

uitgesproken door Hella Ritz op 17 januari 2009 in het Natuurhistorisch Museum te Rotterdam bij de opening van de tentoonstelling 'Eenzaten'

Zoals onlangs op de Galapagos-eilanden de roze salamander is ontdekt, zo ziet vandaag in Europa de Eenzaat het officiële licht. Vandaag is hij of zij voor het eerst buiten de muren van zijn schepping.

Biologen en de zorgvuldige beestenkijkers onder u, zullen in één oogopslag zien dat iedere Eenzaat hevig op een dier lijkt, maar er net iets van afwijkt. Daardoor weten we zeker dat Frans Ellenbroek geen dieren, maar de nieuwe soort, Eenzaten, schildert.

Laat u meevoeren in de nieuwe wereld die Frans Ellenbroek heeft geschapen.

De context is een oneindig landschap, kaal, indringend. Daartegen licht de Eenzaat op. De Eenzaat die zich wel en niet wil laten kennen. In zijn ogen ligt een wereld verscholen.

Waarom intrigeren die beesten me zo, vroeg ik me af? Waar ben ik ten prooi geraakt aan deze door Frans geschapen nieuwe soort. Een snel antwoord is dat de Eenzaat bol staat van de tegenstrijdigheden. Verder verstaat hij of zij de kunst en de moed van het anders-zijn Maar laten we dieper kijken.

Ten eerste communiceert de Eenzaat: je krijgt me niet. ‘hard to get’: ongenaakbaar, gekoppeld aan nabijheid. U weet hoe aantrekkelijk dat is in het sociale verkeer en hoe wanhopig de andere partij vervolgens probeert te bewijzen dat die afwijzing haar niet geldt. Zie hier mijn eerste knieval.

Vervolgens is er sprake van keiharde identificatie. Ik waarschuw u als u de schilderijen nog niet hebt gezien. Wees hier op uw hoede. Frans Ellenbroek verbeeldt met de Eenzaat in mijn beleving het balanceren op een koord boven een diep ravijn: op de ene rotspunt grijnst peilloze eenzaamheid, op de andere de angst zichzelf kwijt te raken in contact. Staat de Eenzaat in het midden, recht boven het ravijn of neigt hij naar een van beide zijden? Daar kom ik zo op.

Frans beroert met zijn bokken, giraf, aap, neushoorn, olifant en andere dieren dat deel in ons dat enerzijds hunkert naar versmelting met de ander, met het risico een schuilplek te creëren om de onvoorspelbaarheid en vergankelijkheid van ons bestaan te verzachten. Anderzijds weet iedere Eenzaat dat de prijs daarvoor hoog is: hij of zij verkoopt zijn ziel: weg autonomie, weg levendigheid, vaarwel creativiteit.

Dit spanningsveld, dat ik zie in alle dieren die Frans schildert en waarvan ik de verklaring geheel voor eigen rekening neem – wie weet is Frans het helemaal niet met mij eens – maakt dat ik niet uitgekeken raak op bijvoorbeeld het bokje dat boven onze bank thuis hangt.

Het raakt me, omdat ik me erin herken. Eenzaten zijn mensachtige dieren.
Maar waar bij mensen de balans lijkt door te slaan naar het zoeken van beschutting bij de ander, kiest de Eenzaat (anders was het immers een samen-zaat) voor het alleene bestaan, voor het behoud van de eigenheid. Dit is de tweede reden waarom ik verslingerd ben aan de Eenzaten die Frans schildert: ze hebben alle een uitgesproken eigen karakter, een unieke kleur die ze voor geen prijs opofferen, zijn enig in hun soort en enig in hun individualiteit.

Dan roept die worteling in zichzelf de wereld van sensualiteit op, soms expliciet, vaker impliciet door Frans verbeeld. Sommige Eenzaten zinderen van sensualiteit, uitsluitend door hun oogopslag of houding. Andere schurken zich met hun ogen of hun lijf ongegeneerd tegen het onderwerp van hun passie (aan). Een grote spanning tussen lieflijk en rauw Nog een reden waarom ik graag naar Eenzaten kijk.

De laatste reden die ik nu wil noemen, is dat de Eenzaat me raakt met zijn open blik, vol onschuld, oneindig zacht. Maar dit is de ene kant van het verhaal. Aan de andere kant  boezemt hij ontzag in, want in zijn centrum rust stille kracht. Een Eenzaat is zacht van buiten en stevig van binnen. Uitermate aantrekkelijk vind ik dat.

Tot besluit gunt de Eenzaat ons een kijkje in zijn binnenste.

Met huid en haar
Ben ik de zindering gewaar
van de stilte die mij omringt

Mijn ontvankelijk wezen, beschut,
Verraadt zich in de neiging van mijn poten

Mijn oren antennes
vangen alles op dat leven heet

In mijn centrum herkauw ik
Schoonheid en droefenis die tot mij komen

Door mijn nekharen speelt licht
Verbinding tussen binnen en buiten

Ruig kan zijn mijn fantasie
Fluweelzacht mijn ogen

Ik observeer met hartstocht
Alert en geenszins bang

Geen angst? Ach, soms
Maar die ziet u niet.

Hella Ritz